maandag 31 maart 2014

Een maandag in Berlijn

Tijd voor het Joodse Museum.
Ik stelde het al een tijdje uit, het leek me namelijk geen gezellig uitje. Daarom niet minder interessant en belangrijk.
Allereerst is er het gebouw. Het mooie, gele museum, de rare stalen slang ernaast en de scheve kubus er tegenover. De kubus is de academie waar ik een aantal weken geleden voor een lezing was. Niet onder de indruk van de volledig witte, haast steriele academie, was ik benieuwd of het museum zelf wel zo bijzonder is als men zegt. Het museum is namelijk zo ontworpen dat het ook leeg een ´experience´ moet zijn. Dus.
Ik nam een audioguide om de architectuur beter te kunnen begrijpen. Bleek niet zo´n succes. Alles stond ook op bordjes. Ik zie het maar als vooronderzoek voor jullie. Doe er je voordeel mee.
Ik daalde een lange trap af en kwam in het museum. Scheve vloeren, rare hoeken, lege ruimtes, het kille steen en een kamer die gevuld is met blikken hoofden waar je overheen kan lopen, zijn ingrediënten voor een nare sfeer. Toch was het museum, op deze verdieping na, geen deprimerende bedoeling. De bovenste twee verdiepingen gingen over de Jodendom in Duitsland tijdens het Romeinse rijk tot ongeveer de twintigste eeuw. Daarna wordt het, begrijpelijke wijze, grimmiger.
Persoonlijk vond ik de tekeningen die een gevangene van Theresienstadt had gemaakt het meest indrukwekkend. Het waren op zichzelf prachtige kunstwerken, zo mooi gemaakt en die schoonheid in contrast met het onderwerp van de tekeningen was erg apart. Tegen het einde van mijn bezoek, toen ik weer in de nare kelder was, werd ik naar van de scheve vloeren, terrortuin en na de Holocaust toren had ik het helemaal gehad. Ik wilde naar buiten. Had de terrorarchitectuur mij dan toch in zijn greep gekregen? Ik snapte mijn reactie niet zo goed.
Eenmaal herenigd met mijn telefoon in de garderobe snapte ik het pas. Ik was het museum om 10:45 ingegaan en het was 14:30. Met alleen mijn ontbijt achter de kiezen, was ik veranderd in een vaatdoekje. Toch heeft het museum zeker een indruk op me gemaakt.
Opgelucht om het donkere museum achter me gelaten te hebben, at ik al wandelend een broodje. Ik besloot de weg maar gewoon te volgen en dan wel zien waar ik uitkwam. Het werd een prachtige wandeling. Terwijl ik langs de Spree liep, waande ik me even op de Nederlandse grachten. Historische haven, stond opeens groot op de borden aangeven. Na het derde bord won mijn nieuwsgierigheid het. Nou. Drie lullige bootjes en een reddingsboei. Die tijd kan ik jullie ook weer besparen.
Later kwam ik in een suf parkje aan. Besloot een ander bordje te volgen. Wat ik daar zag, had ik nooit verwacht. In dit kleine, verstopte parkje, wonen twee beren. Twee echte beren. Later las ik dat beer Maxi sinds een aantal weken alleen woont. Zijn maatje Schnute was kortgeleden overleden. Vroeg Bas vrijdag nog waarom beren een logo waren van Berlijn, kreeg ik hier het antwoord op een presenteerblaadje aangereikt. Of eigenlijk meer in een berenkuil.
Ik passeerde kerken, mooie gebouwen en kwam op een vreemd kerkhof terecht. Hele grote kruizen sierden de graven. Het café ‘Zur Letzte Instanz’ , met uitzicht op het kerkhof, laat sinds 1621 een mooi staaltje Duitse humor zien. Ik sloeg een straat in en stond oog in oog met een enorm muurgedicht. 
'Berlijn
de morgenlucht is een bezoedeld kle..’

Wacht. Dit is Nederlands! Toen ik de laatste zin van het gedicht de zon is geel had gelezen, brak de hemel open en kletterde de regen met een noodvaart naar beneden. Vol verbazing staarde ik naar de muur. Vrolijk zette ik mijn wandeling door en al soppend door de plassen. Ik liep door de leuke winkelstraatjes rond de Hackische markt, waar het ene leuke boetiekje na het andere verscheen. 
Maar dan opeens, een Joods kerkhof. ‘
"Op dit kerkhof werden Joden in 1942 bijeengedreven."
Ik kijk op en zie dat de gevels boven mijn leuke boetiekjes onder de kogelgaten zitten.
Berlijn.

zondag 23 maart 2014

International Dinner, Rolschaatsen en Bezoek



Zondag stond ik afgelegen Schoneweide tussen allemaal Erasmus studenten te smullen. Op een tafel, verlicht door een bouwlamp, stond een uitgebreide verzameling van lekkere, internationale specialiteiten. Viskoekjes uit Portugal, Franse kaas en wijn, Oostenrijkse Apfelstrudel, Duitse aardappels salade, Griekse bladerdeeg hapjes, Vlaamse chocolademouse en nog veel meer.
Wat had keukenprinses Saskia mee? Ik geloof niet dat ik iemand gelukkig had kunnen maken met hutspot, boerenkool of erwtensoep. De Nederlandse keuken bestaat vooral uit lekkere dingen als vla, bokkenpootjes, mergpijpjes, tompoezen, roze koeken, oliebollen, moorkoppen en Groningerkoek. Nu had ik ook geen kaassouflé’s, kroketten, frikadellen, bamischijven, friet of bitterballen op voorraad, dus ik ging voor stroopwafels. Iedereen was helemaal lyrisch erover, dus hup Holland hup! Het was het dichtste bij nationale trots dat ik ooit ben geweest.
Het huis waar we waren was leeg, op de tafel en een piano na. De piano werd van goede spelers voorzien en de schalen raakten leger. Het was een ontzettend leuke avond!

Sommige van jullie zullen weten dat ik een zwak heb voor 80’ies disco muziek. Toen iemand mij meevroeg naar een Rollerdisco was mijn antwoord dan ook; jaaaaaaaaaa!
Alleen. Hoe werken die dingen eigenlijk?
Het Rolleravontuur werd gehouden in Club SO36, waar ik ook rolschaatsen kon huren. De club ziet er erg cool uit, veel graffiti en andere muurkunst. Ik was niet enige die nog nooit op de rolschaatsen had gestaan. De Belg waar ik mee was had er gelukkig ook geen kaas van gegeten. Hij ging ook, heel sportief, eerst op z’n bek, zodat ik me niet lullig hoefde te voelen toen ik even later ook met m’n gezicht over de vloer schoof.
Nu is rolschaatsen op zich niet zo moeilijk. Je staat op vier wielen, je kan niet omvallen, want je hoeft niet te balanceren. We kregen echter een les waarin we trucjes gingen leren en die trucjes… tsja. Op een gegeven moment stond ik op één been te draaien en dacht ik; goh, hoe lang zal dit goed gaan? Ongeveer 30 seconden. Ik viel opzij en in mijn val probeerde ik me nog vast te houden aan iets om niet te vallen. Het bleken de enorme borsten van m’n buurvrouw. Oeps. Sorry.
Ik kan nog meer voorbeelden geven over hoe het ging, maar denk je maar gewoon mij in, op rolschaatsen en dan komen vast de juiste beelden in je op. Ik heb hard gelachen en ik ga als deze blauwe plekken weg zijn, er vast nieuwe bijmaken in de SO36.


Toch was de kers op de taart van deze week mijn bezoek. Bas, Mark en ik hebben ons twee dagen uitstekend vermaakt. Het was zo fijn om bekenden te zien, lekker bij de kletsen en leuke dingen te doen! Vrijdag was het prachtig weer en de jongens wilden dat ik ze Potsdam liet zien. Prima; gaan we doen, maar dan wel op de fiets. We fietsten in het zonnetje terwijl ik ze vertelde over de highlights; ‘kijk een kasteel! Kijk, nog een! Jongens, hier ook een kasteel! Hey, drie keer raden wat er hier staat?!’ en om de zoveel tijd ‘o jongens, het is zo leuk dat jullie hier zijn’ of ‘kijk nou, wat een mooie natuur!’ uitriep. 
’s Avonds heerlijk uit eten geweest in Berlijn en zaterdagochtend zijn we gaan wandelen door de stad. Het is gek hoe je anders tegen een stad aankijkt als je andere mensen er rondleid. Opeens viel het me op hoeveel werkzaamheden er in de stad zijn en hoe het weer ontzettend bepalend is voor je ‘Berlijn ervaring’. De zon bleef zaterdag namelijk weg, en opeens verscheen er een grauwe bouwput voor mijn ogen. Toch blijf ik gek op de bouwput, het voelt namelijk als mijn bouwput.
We doken de grond onder om te schuilen voor de regen. Samen met Jeroen gingen de jongens en ik mee met “Berlin Unterwelten” en bezochten we twee bunkers uit de Koude Oorlog. De gids had fantastische verhalen en aan het einde van de tocht realiseer je je dat de bunkers eigenlijk alleen maar geschikt zijn om te schuilen tegen de regen. Als er een nucleaire oorlog uitbreekt, gaan we allemaal dood. Nou, op deze gezellige noot hou ik er voor deze week mee op, tot volgende week!

zondag 16 maart 2014

Zon, See en de Tadschikische Teestube


Afgelopen week stond in het teken van het prachtige weer. Terwijl ik dit typ huilt de wind buiten, is de lucht grijs en regent het zachtjes. Mijn deprimerende omgeving is een pijnlijke herinnering aan het feit dat het nog winter is. Een winter waar ik er nog makkelijk vanaf ben gekomen met drie weken sneeuw. Een winter waar ik met twintig graden en zonder jas buiten liep.

Zaterdag ging ik naar Wannsee. De biertuinen waren open en iedereen was vrolijk door het mooie weer. Ik heb er een beetje rondgewandeld, gelezen en een nieuw bos gevonden.
Serieus, hoeveel bossen zijn er in Brandenburg? Meer heeft Wannsee overigens ook niet te bieden. Ik moet me altijd door de oudjes en rijke expats heen ellebogen als ik er ben, maar ‘normale’ mensen wonen hier niet. Mensen hebben hier hun boot en hun tweede huis. Het heeft een beetje dat trieste Scheveningen gevoel. Deze stad is dood totdat de lente komt. Een voorproefje van wat komen gaat kreeg ik in de vorm van een penetrante verflucht. Terwijl ik langs de haven flaneerde, bleken alle mannen uit Wannsee spontaan hebben besloten hun boot te gaan verven. Lekker, tot zover mijn gezonde wandeling in de buitenlucht.

Zondag ging ik richting Potsdam. Op het Pfaueninsel had iemand mij vertelt dat er naast een Nederlandse wijk, ook een Russische kolonie was in Potsdam. Om de immigranten meer thuis te laten voelen hadden ze houten blokhutten en een kerk voor ze gebouwd. Tijdens deze fietstocht vond ik de daadwerkelijke mooie huizen van Potsdam. Verscholen, buiten het centrum liggen enorm groteske huizen. Ze liggen op een schaal van ‘o mijn god, dit is mijn barbie droomhuis’ tot ‘krakend, verlaten spookhuis’. Op weg naar de bellevedere van Potsdam, vond ik mijn lievelingshuis. Het was niet bepaald het mooiste huis wat ik ooit gezien had, maar de tekst op het huis stal mijn hart: ‘Ich hab gebaut nach meinem Sinn, und wem das Haus nicht gefällt, der bau es besser für sein Geld.
Men was al sassy in 1863. Doet me deugd. Toen ik vanaf de Bellevedere uit keek over de stad, bedacht ik me dat ik het toch wel goed voor elkaar had.

Datzelfde gevoel had ik ook een dag later, toen ik in Mauerpark lag.
De zon brandde nog steeds en ik was omringt door groepjes mensen, honden en zwerfafval. Het was veel te mooi weer om in een museum te zijn, dus ik ging op zoek naar resten van de muur. Dat is op de Bernauer StraBe na nog best lastig. Het is dat ik wist waar ik moest zoeken, maar er veel is er niet meer. Nieuwbouw vult de gaten van de dodenstrip. Er zijn nog een paar ‘halve huizen’, maar vele stonden in de steigers, klaar om weer compleet te worden. Een stad moet door, dat begrijp ik, maar ergens vind ik het zonde.
Ik vind het interessant om erover na te denken in hoeverre je dingen moet bewaren en in hoeverre je bijvoorbeeld muurresten nodig hebt om iets te kunnen herdenken. En in hoeverre je iets moet herdenken, waarom dat belangrijk is. Ik trok geen conclusies, viel in slaap en werd een uur later verbrand wakker. 

In het kader van mijn projectje ‘etend de wereld rond’, waarin ik in restaurants eet van landen waar ik nog nooit eerder ben geweest, ging ik met Jana naar een Tadschikische Teestube. Zeg dat maar eens 3x achter elkaar. Nadat we onze schoenen uit hadden gedaan, liepen we een prachtige kamer in. Het zag sprookjesachtig uit. We namen plaatst op de kussen en genoten van een Russisch theeritueel met een samovar en aten soep. Mijn soep werd in een heel brood geserveerd en was goddelijk. Toe had ik een Canadese thee specialiteit, met ahoornsiroop, room en Canadese Wiskey. Wederom een geslaagd experiment!

zondag 9 maart 2014

Swing, Gleis 17 en Staatsvijanden



Terwijl Jeroen Berlijn als techno stad ontdekt, ontdekte ik afgelopen week Berlijn als swing stad. De jaren twintig is helemaal hip in Berlijn. Of het nu in z´n nieuwe vorm is van electro swing wat in veel clubs gedraaid wordt, of in een poging tot ´gouden oude´ jaren weer tot leven te wekken door middel van Cabarets en chique salonavonden waar iedereen in jaren twintig glamour verschijnt, de jaren twintig doen het goed. Ik besloot een cursus ´leer swing dansen in een dag´ te doen. Waarom niet?!
Een beetje vertwijfelt begon onze groep van ongeveer Duitsers en ondergetekende de eerste pasjes te zetten. Aan het einde van de dag zag het er nog steeds klungelig uit, maar hadden we wel ontzettend veel plezier gehad. De basis is er, ik had mijn Duits weer geoefend; prima dag. Nu was het plan om ’s avonds mijn nieuwe moves uit te testen, maar net voordat ik weg wilde, kreeg ik te horen dat de leerlingen onverwacht eerder terugkwamen van ski kamp. Dag rust.

 Omringt door zestig drukke ‘o wat fijn om je weer te zien, laten we bijpraten’ tieners, besloot ik maandag te ontsnappen; het bos in. Grunewald deze keer. Dit enorme Berlijnse bos zit vol slingerweggetjes, meertjes en schattige boswachtershuisjes. Langs dit alles kwam ik uiteindelijk uit bij het S-Bahn station Grunewald. Ik ging naar ‘Spoor 17‘. Een spoor dat niet meer in gebruik is, maar vroeger het spoor was waarover duizenden Berlijnse Joden werden afgevoerd. Het was doodstil en voor me zag ik stenen en verderop het spoor. Langs het spoor lagen twee peronnen. Aan de zijkant van de perronnen waren de transport data ingegraveerd, samen met het aantal vervoerde Joden en de bestemming van de trein. Teresienstad, Minsk, Riga en later Autschwitz. 100 Joden per dag was het gemiddelde. Soms kwamen er dagen voorbij met 99 of 101 Joden voorbij. Je gaat je afvragen, wat was er die dag anders? Wat is er gebeurt?
Bij 27.03.1945 18 Joden Berlijn-Theresienstadt lag één witte roos.

Ik denk aan de lezing van een ooggetuigen verslag waar ik vorige week donderdag was van het Joodse Museum. Aan die oude heer. Hoe zijn vrouw en hij het huis keurig opleverden. En hoe op het spoor, hetzelfde spoor waar ik op stond, hun zorgvuldig voorbereidde boterhammetjes en theormosfles koffie werd afgenomen. Koffers in hand. Hun laatste momenten in hun stad.
Ik denk aan de blinde man die ik net heb geholpen om het juiste perron te vinden bij de S-Bahn. ‘Schwarze Winkel: Asozialen’. Ik keek een laatste keer naar het spoor en keek dankbaar naar de bomen die tussen bepaalde plekken van het spoor waren gegroeid.
Op zoek naar iets moois verdween ik weer de bossen in, beklom de Teufelsberg en had een prachtig uitzicht over Berlijn.

De tweede editie van de ‘Culturele Vrijdag’ ging naar het Stasi museum. 
Het bracht ons naar het hondslelijke Lichtenberg. De hoge, lelijke, instand flats. De chagrijnige mensen. Nee, hier moet je alleen heen voor het Stasi museum. Of misschien helemaal niet. Toch keken Jeroen en ik iet wat verlekkerd naar het enorme complex Stasi kantoren. Achter elk stukje vitrage zat er één, of twee. En luisterde er misschien een derde mee. Het duurde even voordat we de ingang van het museum vonden en de mensen aan wie we de weg vroegen, waren allemaal nors en kort af. Wij spraken in keurig Duits, wat deden we verkeerd? Eenmaal binnen werden we met dezelfde gastvrijheid ontvangen door de kaartjesverkoper. Het museum zelf viel erg tegen. Veel algemene informatie. Het ging de hele tijd over wie er door de Stasi gevangen was. Boeiend. Wij wilde Stasi smeerlappen!
Toen we de trap opliepen werden we door een lange man aangestaard. Ik zei vriendelijk ‘hallo’, maar hij bleef staren. Hij week geen centimeter van zijn plek. Dit was alweer de derde medewerker!
Teleurgesteld door het museum, werd ik een beetje baldadig. Eenmaal op de derde verdieping aangekomen, waar het oude werkvertrekken van Erich Mielkes nog in originele staat waren. Dit was wel interessant! We vergenoegden ons in het zien van de kluizen, dubbele deuren en lelijke tapeitjes. In een werkkamer zat ik aan een telefoon, daarna pakte ik de hoorn op. Geen alarm. Mooi.
Ik besloot de medewerkers van het museum een reden te geven om boos te kijken en kroop onder het afzet koord door. Jeroen maakte foto’s van me terwijl ik de Stasi typmiep uithing en hup, snel het koord weer onderdoor omdat er mensen aan kwamen.
Mocht deze actie op beveiligingscamera zijn opgenomen en ik ben er niet meer over een paar weken, weten jullie waarom.

’s Avonds zochten we ons scheef naar een Russisch restaurant waarvan Jeroen zeker wist dat het ‘echt in deze straat’ was. We besloten na een tijd Indisch te eten. Jeroen smikkelde van zijn introductie tot
de Indische keuken en ik kwam erachter dat lam, banaan en kaas, tegen alle verwachtingen in, een goede combinatie is. We proostten weer op een geslaagde dag. Eenmaal buiten kwamen we erachter dat het restaurant dat we zochten naast het restaurant waar we gegeten hadden lag. Blondt.

zaterdag 1 maart 2014

Pauwen, Culturele Vrijdag en Socialistische Bionade



‘Weet je wel zeker dat je hier wilt blijven? Moet je op reis? Wordt het dan niet verschrikkelijk saai hier?’, mijn baas snapte niet wat ik met een  vrije week in Berlijn moest doen.
Ik wel.´ 
In mijn pyjama door de gangen, uitslapen tot hoe laat ik het wil en kei hard met mijn muziek meeschreeuwen; het kon deze week allemaal. Alle boarders en mentoren waren naar huis; ik had het rijk voor me alleen. Endlich, ein bische Ruhe. Mijn week bestond uit fietsen, kroegjes en koken. Niet langer ondersteund door onze catering moet ik namelijk zelf koken; wat een armoede. Ik vulde mijn koelkast met extra veel groeten en trakteerde mijzelf op gezonde maaltijden en een grote brandwond op m’n rechterhand.
Na een paar dagen alleen gekookt te hebben, realiseerde ik me weer hoe saai dat eigenlijk is.
Via Facebook kwam ik bij een groep Berlijners die graag kookt en woensdag stond ik vegetarisch te koken in Schöneberg. Mijn gastheer gaf aan dat hij van Bionade hield. Opgetogen snelde ik naar de winkel, ik namelijk ook. Daar vond ik ‘socialistische Bionade’ in de smaken gember, dennen en granaatappel. Iedereen was onder de indruk van het etiket en wat minder van de smaak. Het was een super leuke avond, we hebben sehr gemütlich miteinander geredet und gegessen.

Ook fietste ik naar Pfauenisland. Met mijn vriend op een jaloersmakend eiland kon ik natuurlijk niet achterblijven. Pfaueenisland dus. Een eiland met, inderaad, pauwen. Een pontje bracht me erheen en na enige tijd liep ik op het doodstille, verlaten eiland. Opeens hoorde ik een pauw roepen. Ik schrok me kapot! Vond ik pauwen eigenlijk niet heel erg eng? Vroeger in Groningen wel, maar toen was de pauw groter dan ik. Even verderop las ik op een bord dat er ook wilde zwijnen op het eiland rondliepen. Fijn.
Toen bedacht ik me dat ik nog nooit had gehoord dat er iemand was gestorven door toedoen van een pauw en dat ik niet zo moest mutsen. Ik liep verder en al snel hield ik op met denken. De futen fuutte, ik hoorde een uil, eenden, een specht en andere vogels die ik niet kon plaatsen. Het was zo stil. Zo stil dat elke voetstap wel een belediging voor de omgeving leek. En dan af en toe; de pauw.
Bij elke ritseling dacht ik; JA EEN PAUW! Maar dan was het een merel. Ik liep verder, starend naar het meer. Ik draaide me om en opeens stond ik oog in oog met een pauw. Nog geen meter afstand. Ik moest m’n best doen niet te gillen. Pauwen zijn groot! De pauw kwam op me af, net als een Duits stel. “De pauw is banger voor jou dan jij voor hem’ zeiden ze, terwijl ze de doodsangst in m’n gezicht lazen. Nadat ik over de eerste schok heen was, zag ik hoe mooi de pauw was en heb prachtige foto’s kunnen maken van deze en andere pauwen. Bedankt Unesco!

Donderagavond zei Jeroen dat hij behoefde had aan iets cultureels. We maakte plannen en de eerste editie van “Saskia en Jeroen doen cultureel op vrijdag” was geboren. Brillen op, museum aan.
Met een zak Berliner Bollen (hier heten die overigens “Pfankuchen” en kaffee zu mitnimmen stapten we op de trein naar om naar het Duits Russisch museum te gaan. Een voormalige basis van de Luftwaffe van de Wehrmacht en de plek waar Duitsland officieel capituleerde op 7 mei ’45.
Een indrukwekkend museum, zo is er een kamer waar je in loopt en alleen een soldaten uniform in een vitrine ziet. Op het glas staat geschreven:  ‘60% strieb’.
WO II staat bij de Russen bij de Russen in de boeken als ‘de grote vaderlandse oorlog’ en soms wordt het iets té. Zo liggen er stukjes steen van een fort in Rusland, die als een soort relieken worden gepresenteerd. Hoe objectief is het museum? In het gastenboek wordt er fel over gediscussieerd. Fascinerend om te lezen.

Later zaten we in een Libanees restaurant. We bestelden een ‘plaat voor twee personen’ en even later stond er een overheerlijke schaal voor onze neus. Eh.. Jeroen. Ja? Wat is dat roze? Ik heb geen idee. Ik denk trouwens dat dit kip is. Ja? Hmm, dit is iets vissigs. Ofzo. Lekker? Ja lekker ja. Ik heb alleen geen idee wat het is! Het restaurant was fel rood geschilderd, overal stonden bloemen en de eigenaren schreeuwden tegen elkaar. Er werd Libanese muziek gedraaid, wat klonk als een soort van hysterische polka, dat weer goed paste bij de hysterische schilderijen aan de muur. Het was weer een goede week.