Afgelopen week stond in het teken van het prachtige weer. Terwijl ik dit typ huilt de wind buiten, is de lucht grijs en regent het zachtjes. Mijn deprimerende omgeving is een pijnlijke herinnering aan het feit dat het nog winter is. Een winter waar ik er nog makkelijk vanaf ben gekomen met drie weken sneeuw. Een winter waar ik met twintig graden en zonder jas buiten liep.
Zaterdag ging ik naar Wannsee. De biertuinen waren open en iedereen was vrolijk door het mooie weer. Ik heb er een beetje rondgewandeld, gelezen en een nieuw bos gevonden.
Serieus, hoeveel bossen zijn er in Brandenburg? Meer heeft Wannsee overigens ook niet te bieden. Ik moet me altijd door de oudjes en rijke expats heen ellebogen als ik er ben, maar ‘normale’ mensen wonen hier niet. Mensen hebben hier hun boot en hun tweede huis. Het heeft een beetje dat trieste Scheveningen gevoel. Deze stad is dood totdat de lente komt. Een voorproefje van wat komen gaat kreeg ik in de vorm van een penetrante verflucht. Terwijl ik langs de haven flaneerde, bleken alle mannen uit Wannsee spontaan hebben besloten hun boot te gaan verven. Lekker, tot zover mijn gezonde wandeling in de buitenlucht.
Men was al sassy in 1863. Doet me deugd. Toen ik vanaf de Bellevedere uit keek
over de stad, bedacht ik me dat ik het toch wel goed voor elkaar had.
Datzelfde gevoel had ik ook een dag later, toen ik in Mauerpark lag.
De zon brandde nog steeds en ik was omringt door groepjes mensen, honden en zwerfafval. Het was veel te mooi weer om in een museum te zijn, dus ik ging op zoek naar resten van de muur. Dat is op de Bernauer StraBe na nog best lastig. Het is dat ik wist waar ik moest zoeken, maar er veel is er niet meer. Nieuwbouw vult de gaten van de dodenstrip. Er zijn nog een paar ‘halve huizen’, maar vele stonden in de steigers, klaar om weer compleet te worden. Een stad moet door, dat begrijp ik, maar ergens vind ik het zonde.
Ik vind het interessant om erover na te denken in hoeverre je dingen moet bewaren en in hoeverre je bijvoorbeeld muurresten nodig hebt om iets te kunnen herdenken. En in hoeverre je iets moet herdenken, waarom dat belangrijk is. Ik trok geen conclusies, viel in slaap en werd een uur later verbrand wakker.
Datzelfde gevoel had ik ook een dag later, toen ik in Mauerpark lag.
De zon brandde nog steeds en ik was omringt door groepjes mensen, honden en zwerfafval. Het was veel te mooi weer om in een museum te zijn, dus ik ging op zoek naar resten van de muur. Dat is op de Bernauer StraBe na nog best lastig. Het is dat ik wist waar ik moest zoeken, maar er veel is er niet meer. Nieuwbouw vult de gaten van de dodenstrip. Er zijn nog een paar ‘halve huizen’, maar vele stonden in de steigers, klaar om weer compleet te worden. Een stad moet door, dat begrijp ik, maar ergens vind ik het zonde.
Ik vind het interessant om erover na te denken in hoeverre je dingen moet bewaren en in hoeverre je bijvoorbeeld muurresten nodig hebt om iets te kunnen herdenken. En in hoeverre je iets moet herdenken, waarom dat belangrijk is. Ik trok geen conclusies, viel in slaap en werd een uur later verbrand wakker.
In het kader van mijn projectje ‘etend de wereld rond’,
waarin ik in restaurants eet van landen waar ik nog nooit eerder ben geweest,
ging ik met Jana naar een Tadschikische Teestube. Zeg dat maar eens 3x achter
elkaar. Nadat we onze schoenen uit hadden gedaan, liepen we een prachtige kamer
in. Het zag sprookjesachtig uit. We namen plaatst op de kussen en genoten van
een Russisch theeritueel met een samovar en aten soep. Mijn soep werd in een
heel brood geserveerd en was goddelijk. Toe had ik een Canadese thee
specialiteit, met ahoornsiroop, room en Canadese Wiskey. Wederom een geslaagd
experiment!

Geen opmerkingen:
Een reactie posten